“De Oostendse Oosteroever heeft een uniek karakter.“

Het maandblad Het Vrije Visserijblad publiceerde onlangs een dubbelinterview met Jan Vanroose (voorzitter SPa Oostende) en  Johan Smalle (voorzitter Oostendse Oosteroever vzw). Beide voorzitters gingen met elkaar in debat over de toekomst van de Oostendse Oosteroever.

 

Het heeft enige voeten in de aarde gehad om Johan Smalle (°1961) en Jan Vanroose (°1952) samen rond de tafel te krijgen. Vanroose was vragende partij, Smalle daarentegen hield wantrouwend lange tijd de boot af. Maar we bleven aandringen. Met resultaat.
Smalle is sinds 1986 zelfstandig architect en kocht in 2005 de teloorgegane ijsfabriek Everest op de Oostendse H. Baelskaai. Hij renoveerde het pand en maakte er een merkwaardig mooi kantoorgebouw van. Hij slaagde erin tegelijk de eigenheid van de site te behouden. Hij vertegenwoordigt de vzw Oostendse Oosteroever (1) die het karakter van de wijk in stand wil houden. Vanroose heeft er een loopbaan in en rond de SP.a opzitten en is nu voorzitter van die partij in Oostende, die een zeg maar spectaculaire ontwikkeling van hetzelfde gebied nastreeft.

Beiden zijn het erover eens: de Oostendse Oosteroever is een unieke plek waar zee, strand, duinen, erfgoed, haven en visserij verstrengeld aanwezig zijn. Het gebied is wat men noemt ‘een opportuniteit’. Waar beiden het ook over eens zijn is dat het gebied al te lang verwaarloosd werd.


Vanroose:In het verleden waren de initiatieven teveel op aparte doelen gericht. Het gebied werd als ontwikkelingsmogelijkheid voor de haven gezien of als het exclusieve terrein van de visserij of als gebied waar de stad kon uitbreiden of als natuurgebied... Gevolg was dat het gebied al te eenzijdig benaderd werd, waardoor die benadering ook telkens weerstand ondervond vanwege de andere componenten.
Smalle:Momenteel ontbreekt een plan en een duurzame visie. Iedereen denkt hier zijn ding te kunnen doen maar dan zonder respect voor het unieke karakter van de wijk. De Oosteroever is, zonder overdrijven, uniek in Vlaanderen. De authenticiteit van de Oosteroever omvat elementen zoals erfgoed, maritieme infrastructuur, bouwstijlen, maar ook een sociale en economische dynamiek die o.a de scheepswerven met zich meebrengen, de visverwerking, maritieme activiteiten en tradities en zo meer.
Vanroose:Deze site heeft inderdaad een ongelooflijke potentie. Stedenbouwkundige specialisten speken zelfs over een unieke site in Europa. Het masterplan, waarvan Johan Smalle terecht zegt dat het nu ontbreekt, komt er wel degelijk. In opdracht van het Vlaamse Gewest maakt het Nederlandse bureau Palmbout (2) zo’n masterplan; een totaalvisie waarin overigens veel zaken uit het verleden opgenomen kunnen worden. Dat plan moet klaar zijn op 30 maart.’
Smalle: ‘Palmbout is een Nederlands bureau. Hoe goed kennen die mensen de wijk eigenlijk? Wij hebben hier nog niemand van dat bureau gezien om ons te vragen wat wij ervan denken. Volgens ons is het absoluut nodig om overleg en communicatie met alle verantwoordelijken en belanghebbenden te organiseren. Het akkoord vanwege de publieke opinie is een absolute noodzaak om zo’n project tot een goed einde te brengen.’
Vanroose:Laat ons wachten tot we zien wat het bureau voorstelt. We kunnen niet discussiëren over iets dat we niet kennen. Daarna is er voldoende tijd voor overleg, correcties enzovoort.’

Intussen heeft het spectaculaire bouwproject van de bouwgroep Versluys, op de site H. Baelskaai 12 zoveel commotie veroorzaakt dat de bouwplannen opgeborgen werden, of beter gezegd verplaatst werden in de richting van de Victorialaan waar de bouwgroep zelfs een nog groter gebouw zou neerpoten.


Woongebied

Er is overigens ook al een andere projectontwikkelaar in de weer die op de Oosteroever nog een toren wil neerzetten, maar dan tussen de Fortstraat en de kop van de Liefkemoresstraat. Moeten die plannenmakers eigenlijk niet wachten tot wanneer het Nederlandse bureau het masterplan ontwikkeld heeft? En nog een vraag: Is het wel nodig om op de Oosteroever een woongebied te creëren?


Vanroose: ‘Uiteraard moet het gebied klaargemaakt worden om nieuwe bewoners te ontvangen. Oostende ziet de jonge gezinnen al te veel naar de buurgemeenten uitwijken en de bevolking van de stad veroudert. Een stad moet daar een antwoord op zoeken. Net zoals dat het geval is voor een bedrijf geldt ook voor een stad: wie niet vooruit gaat, gaat achteruit. Op de terreinen van het industriepark Plassendale werken veel jonge mensen. Die moeten de mogelijkheid krijgen om in de stad te wonen. Die mensen moeten dus ergens plaats vinden. Het gebied Oosteroever is daar uitermate geschikt voor.’
Smalle:Ja maar, een tabula rasa als oplossing voor de verloedering (die overigens in de hand gewerkt werd) kan niet de nieuwe stimulator zijn. Bij de ontwikkeling van een nieuw stadsdeel moeten eerst alle karakteristieken (op economisch , sociaal, cultureel ...vlak) gekend zijn en in kaart gebracht worden. Akkoord dat hier plaats is voor nieuwe woningen, maar de bouw ervan moet eerder gezocht worden in kleinschaligheid, in een samenwerking tussen de huidige eigenaars en kleine ontwikkelaars. Het is onmogelijk dat bouwpromotoren deze ontwikkeling gaan leiden, want die gaan geen respect tonen voor de karakteristieken en de authenticiteit van de site. Dat kan alleen als de nieuwe bestemming niet vooropgesteld wordt aan wat er nu al is.’

 

Het eerst voorziene nieuwbouwproject op de site Baelskaai 12 riep zoveel tegenstand op dat de initiatiefnemer het plan weer in de schuif stak.

 

Vanroose:Zelf wil ik me niet uitspreken over een of ander bestaand bouwplan. Is er op de Oosteroever al dan niet plaats voor hoogbouw? Smaken en ‘goesten’ verschillen. Wat ik wel weet is dat het Vlaamse Gewest hoogbouw stimuleert en ja, het is van het Vlaams Gewest dat het geld moet komen om de Oosteroever herin te richten. Moeten we tegen de komst van luxeappartementen zijn? Vast staat dat er daarnaast ook wel sociale appartementen zullen komen. Het Vlaamse Gewest zal alleen maar geld vrijmaken voor de site als er een mix komt waarin zowel diverse woonzones, havengebonden activiteiten, visserij en natuur harmonisch met elkaar verbonden worden.’

Smalle: ‘Intussen worden de gronden die ingetekend werden als woonzone wel opgekocht door immobiliënkantoren. Toeleveranciers van de visserij worden door de immosector met lucratieve voorstellen benaderd, ha ja, want hun waardeloze industriegrond wordt opeens opgewaardeerd tot bouwgrond. Sommigen happen toe, anderen wachten af tot de prijs stijgt, nog anderen denken dat ze onteigend zullen worden. Maar daardoor valt het bestaande weefsel natuurlijk wel uiteen. Als je de ziel uit het gebied trekt, dan vervalt natuurlijk ook de waarde van dit unieke gebied.’
Vanroose: ‘Daar tegenover staat dan weer dat er tot nu toe nog niets gebeurd is dat een globale aanpak in de weg staat.’


Visserijdok


Uiteraard vragen we de twee ook naar het al dan niet geplande dempen van een deel van het Visserijdok.

Vanroose:Laat ons zeggen dat de urgentie om een deel van dat dok te dempen inmiddels weggevallen is. Het plan mag bestaan, maar het is helemaal niet zeker dat het uitgevoerd wordt. De haven had enige jaren geleden een grote behoefte aan plaats om de toenemende containertrafiek op te vangen. Inmiddels hebben we kunnen zien dat er alweer een einde gekomen is aan die toenemende trafiek. Intussen groeit het bewustzijn dat de handelshaven van Oostende nooit een haven ter grootte van de Noord-Franse havens of Zeebrugge zal worden. Daarom heeft men ook beslist om alles op de ontwikkeling van de voorhaven te zetten.’
Smalle: ‘Het heet nu dat het Visserijdok niet gedempt wordt... tenzij het nodig mocht blijken omwille van visserijgebonden activiteiten. Ik vraag me af wat men daarmee wil zeggen. Wanneer ik hoor dat de Vlaamse Visveiling van plan is een nieuwe vismijn te bouwen, dan weet ik nu al dat het niet kan op de beschikbare grond, want transporttechnisch heeft men een bredere plaats nodig, op de strook grond moeten af- en aanrijdende vrachtwagens voldoende plaats hebben en die is er nu niet. Is het de bedoeling om een deel van het dok te dempen om die bijkomende plaats te creëren? Wil men de nieuwe vismijn bovenop het dok bouwen? Ook daar horen uiteraard een aantal vragen bij. Dient dat vismijnplan om de Oostendse visserij te redden of is het de bedoeling geld aan de bouw van een vismijncomplex met bijhorende pakhuizen te verdienen? Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat de initiatiefnemers vooral het laatste op het oog hebben.’

 

Bedenkingen op de fiets


Smalle duwt ons nog een flyer in de hand, want de vzw Oostendse Oosteroever organiseert op 22 april een wandelzoektocht in het gebied.
We nemen afscheid. Terwijl ik naar huis fiets, vraag ik het me af: wat hebben we uit dat debat geleerd? Ongetwijfeld vloeit veel onvrede van Smalle en de zijnen voort uit een gebrek aan communicatie tussen het stadsbestuur en de ondernemers van de Oosteroever. En daarop enten zich onvermijdelijk bestaande tegenstellingen als deze tussen een politieke meerderheid en een oppositie, tussen ‘stadsmanschap’ en populisme.
Gaat het ook dieper dan een communicatiestoornis en een politiek spel? Ik denk het wel. Ik meen tussen de twee opinies wel degelijk een spanning gedetecteerd te hebben. Hoe moet ik die omschrijven? Het lijkt een onderhuidse spanning te zijn tussen het bestaande en wat komen gaat. Heb ik het verkeerd voor wanneer ik stel dat ik twee verschillende logica’s aan- gevoeld heb? Een poëtische logica tegenover een zakelijke, ‘kunnen’ tegenover ‘moeten’, een imaginaire tegenover een symbolische, ‘aanvoelen’ tegenover ‘weten’, het kleine tegen- over het grote, het oude tegenover het nieuwe, macht tegenover onmacht. En waarom speelt de dichtregel van Lucebert door mijn hoofd: ‘Alles van waarde is weerloos’ ?
Het debat heeft alvast de verdienste gehad dat het de woorden vanachter de tapkasten weggehaald heeft; enerzijds van een tapkast op de Baelskaai waar men stelt dat allemaal met het vermeende kwade genius van SPa-chef Vande Lanotte te maken heeft, anderzijds van een tapkast in de stad waar men beweert dat het verzet van Smalle gezocht moet worden in de ligging van zijn kantoor, met name in een deel van de Baelskaai waar de grond voor de projectontwikkelaars van generlei waarde is. Hoe dan ook, tegen de tijd dat dit nummer van HVVB in de winkelrekken ligt zou de Oosteroeverstudie van het bureau Palmbout afgewerkt moeten zijn. Ongetwijfeld wordt dat de start van een nieuwe fase in de discussie.
Als die op een even hoogstaand manier gevoerd wordt als het gesprek dat Johan Smalle en Jan Vanroose in de mooi omgevormde ijsfabriek met elkaar voerden, dan is het misschien wel mogelijk dat beide vermelde logica’s elkaar bevruchten. Op deze licht filosofische bedenkingen van een fietsende journalist past overigens alleen maar een sterk journalistiek slotwoord: we zullen zien.


Interview Flor Vandekerckhove

foto’s fv en JoC

Met dank aan Het Vrije Visserijblad


(1) www.oostendseoosteroever.be (2) www.palmbout.nl